
Tweede spoor verandert: wat het wetsvoorstel uit 2026 betekent voor werkgevers
In april 2026 heeft het kabinet een wetsvoorstel ingediend dat de re-integratie van zieke werknemers ingrijpend verandert.
De kern: als een werknemer na één jaar niet kan terugkeren, wordt het tweede ziektejaar gericht op werk bij een andere werkgever.
De wet is nog niet van kracht, maar de richting is duidelijk.
Voor werkgevers betekent dit dat de manier waarop het tweede spoor wordt ingezet structureel zal veranderen.
Wat houdt het wetsvoorstel in?
De kern van de wijziging is dat er minder ruimte is om af te wachten. Wanneer duidelijk wordt dat terugkeer binnen één jaar niet haalbaar is, moet eerder worden ingezet op werk bij een andere werkgever.
Voor werkgevers betekent dit dat het tweede spoor niet langer een “laatste stap” is, maar eerder onderdeel wordt van het traject. De beweging is duidelijk: sneller schakelen en eerder richting extern werk.
Wat betekent dit voor het tweede ziektejaar?
Het tweede ziektejaar krijgt een andere invulling. Waar de focus eerst lag op interne re-integratie, verschuift dat naar het sneller accepteren dat extern werk noodzakelijk kan zijn.
Dat lijkt efficiënter, maar vraagt ook om andere keuzes. Werkgevers moeten eerder beoordelen of inspanningen intern nog zinvol zijn of dat het moment is gekomen om door te pakken naar een tweede spoor traject.
De belangrijkste misvatting
Een veelgehoorde gedachte is dat eerder starten met het tweede spoor automatisch leidt tot snellere plaatsing.
In de praktijk zien we anders.
Plaatsing is afhankelijk van factoren zoals belastbaarheid, werkervaring, opleidingsniveau en de kansen op de arbeidsmarkt. Eerder beginnen helpt om tijd te benutten, maar verandert niets aan de afstand tot werk.
Je kunt het proces vervroegen, maar niet de realiteit versnellen.
Wat betekent dit in de praktijk?
In de praktijk zien we twee groepen.
Medewerkers met perspectief op plaatsing
Dit zijn medewerkers die nog belastbaar zijn en beschikken over werkervaring die overdraagbaar is naar andere functies.
Bij deze groep kan een eerder ingezet tweede spoor daadwerkelijk zorgen voor snellere uitstroom naar werk. Resultaten zijn vaak binnen enkele maanden zichtbaar.
Complexere situaties
Bij medewerkers met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt verandert er minder.
Denk aan situaties met fysieke beperkingen, een laag opleidingsniveau of langdurige uitval zonder actuele werkbelasting. Hier blijft plaatsing lastig en ligt de nadruk op ontwikkeling en onderzoek.
In veel gevallen blijft een WIA-aanvraag een reëel eindscenario.
Wat vraagt dit van werkgevers?
De grootste verandering zit in de keuzes die je maakt.
Werkgevers moeten:
- eerder realistisch beoordelen wat haalbaar is
- minder lang blijven inzetten op interne oplossingen zonder perspectief
- keuzes beter onderbouwen richting UWV
De focus verschuift van volgen naar sturen.
De valkuil
De belangrijkste valkuil blijft hetzelfde, maar wordt groter:
te lang blijven inzetten op spoor 1 terwijl de kans op succes beperkt is
Dat kan leiden tot:
- verlies van tijd
- een zwakker dossier
- verhoogd risico op een loonsanctie
Conclusie
Het wetsvoorstel uit 2026 verandert niet alleen wanneer het tweede spoor wordt ingezet, maar vooral welke rol het krijgt.
Waar het nu vaak een aanvullend traject is, wordt het in het tweede ziektejaar steeds meer het uitgangspunt wanneer terugkeer niet haalbaar is.
Werkgevers die hier nu al rekening mee houden, maken scherpere keuzes en houden meer grip op het re-integratietraject.








